Waarom Amsterdam ruimte moet maken voor makers

Amsterdam wil in 2050 volledig circulair zijn. Een mooie ambitie, maar een circulaire stad vraagt om meer dan goede plannen. Het vraagt om ruimte. Ruimte voor maken, repareren en hergebruiken. En juist die ruimte staat onder druk.

Amsterdam heeft grote circulaire ambities. In 2030 wil de stad 50 procent minder nieuwe grondstoffen gebruiken dan in 2016. In 2050 wil Amsterdam volledig circulair zijn. Maar een circulaire economie ontstaat niet alleen door minder te consumeren. Er moet ook daadwerkelijk iets gebeuren: producten moeten worden gerepareerd, materialen verwerkt en goederen lokaal gemaakt en hergebruikt. Daar zijn bedrijven, vakmensen én vierkante meters voor nodig.

Een circulaire stad móét dus ook een productieve stad zijn
En juist die productieve ruimte is in Amsterdam schaars. Want we willen producten langer gebruiken, meer repareren en kortere ketens stimuleren, maar de bedrijven die dat in de praktijk moeten realiseren, kunnen steeds moeilijker een plek vinden in de stad.

Wat verdwijnt, komt niet zomaar terug
Je kunt zeggen: dat is de markt. In een stad waar ruimte schaars en duur is, winnen de functies die de hoogste prijs per vierkante meter kunnen betalen. Dat is economisch verklaarbaar, maar voor de stad als geheel hoeft het niet de beste uitkomst te zijn.

Want als productieve bedrijvigheid eenmaal uit de stad verdwijnt, komt die niet zomaar terug. Een maaksector bestaat niet alleen uit losse bedrijven. Er hoort een heel ecosysteem bij van vakmensen, kennis, leveranciers en ondernemers die elkaar nodig hebben. Als dat netwerk langzaam verdwijnt, kun je het niet over tien jaar opnieuw opbouwen. Ook al heb je het dan hard nodig.

En juist de circulaire economie vraagt om méér reparatie, hergebruik en lokale productie. Om kortere ketens. Om producten die langer meegaan. Een circulaire stad heeft een productieve infrastructuur nodig.

De ziel van de stad
Maar er staat meer op het spel dan circulaire doelstellingen. Een stad ontleent haar aantrekkingskracht aan haar menging. Aan het feit dat er wordt gewoond én gewerkt, bedacht, gerepareerd en gemaakt. Een meubelmaker achter een werkplaatsdeur, een atelier op een verdieping, een fietsenmaker op de hoek. Die functies brengen andere mensen, andere kennis en een ander ritme naar een buurt.

Wanneer die functies verdwijnen, wordt de stad eenzijdiger. Straten gaan meer op elkaar lijken. Buurten verliezen iets van hun eigenheid. Dat klinkt misschien als een kwestie van sfeer, maar het raakt ook aan de economie. Mensen en bedrijven worden aangetrokken door steden waar iets gebeurt. Waar kennis, vakmanschap en creativiteit bij elkaar komen. Een stad die vooral een plek wordt om te wonen en consumeren, verliest op termijn een deel van die aantrekkingskracht.

Menging maakt een stad bovendien weerbaarder. Een stedelijke economie met verschillende soorten bedrijvigheid kan zich gemakkelijker aanpassen aan veranderingen dan een stad die afhankelijk is van een beperkt aantal functies.

De markt maakt niet vanzelf de stad die we willen
Daarom kunnen we de vraag welke functies Amsterdam nodig heeft niet volledig overlaten aan de vastgoedmarkt. De markt bepaalt wie vandaag het meeste voor een vierkante meter kan betalen. Niet welke functies Amsterdam over twintig jaar nodig heeft. Daar ligt een publieke keuze.

De gemeente erkent dat overigens al. In de Bedrijvenstrategie 2020–2030 staat expliciet dat Amsterdam voldoende ruimte wil behouden voor ambachtelijke maakindustrie, reparatie en logistiek. De circulaire ambities maken die keuze alleen maar urgenter.

Amsterdam zit vol; juist daarom moeten we kiezen
Als Amsterdam in 2050 daadwerkelijk circulair wil zijn, moet het ook de fysieke infrastructuur voor die economie behouden. Dat betekent niet dat iedere maker koste wat kost op zijn huidige plek moet blijven. Maar het betekent wél dat we nu moeten bepalen welke productieve functies we willen behouden, hoeveel ruimte zij nodig hebben en waar die ruimte moet komen.

De bedrijfsruimtemarkt in Amsterdam is krap. Dat maakt de opgave niet minder belangrijk. Integendeel. Als er nauwelijks ruimte over is, kunnen we ons ook nauwelijks permitteren om geschikte ruimte ongemerkt te verliezen.

De vraag is daarom niet alleen waar we nieuwe ruimte kunnen vinden. We moeten ook kijken naar de ruimte die er al is. Kunnen verdiepingen boven winkels beter worden benut? Kunnen bestaande bedrijventerreinen intensiever worden gebruikt? Welke plekken moeten we bewust níét laten verdwijnen? Gemeenten hebben daarvoor instrumenten: van omgevingsvisies en gebiedsplannen tot erfpacht, subsidies en publiek-private samenwerking. Want als de markt de keuze niet vanzelf maakt, zal de stad dat moeten doen.

Geen nostalgie, maar vooruitkijken
Dit is geen pleidooi om Amsterdam terug te brengen naar een tijd van fabrieken op iedere straathoek. Het gaat over de economie die we in de toekomst nodig hebben.

Een stad die minder grondstoffen wil gebruiken, moet kunnen repareren. Een stad die materialen opnieuw wil gebruiken, heeft bedrijven nodig die dat kunnen organiseren. Een stad die kortere ketens wil, moet ruimte houden voor lokale productie. En een stad die aantrekkelijk en economisch weerbaar wil blijven, heeft baat bij een mix van functies en bedrijvigheid.

Ruimte voor maken en repareren is geen luxe. Het is infrastructuur voor de stad die Amsterdam zegt te willen worden. De ambitie ligt er al. Nu de ruimte nog.

Meer lezen over lokaal maken en duurzaam ondernemen? Bekijk alle blogs.